De  Kunstschilder

Jaap Schreurs

 

 

Menu
Home
De HOOGTEPUNTEN
De CATALOGUS
Geschreven over het werk
Geschreven over de persoon
Nieuws
Links
Tentoonstellingen overzicht
Contact met ons
 
 
2000 - "De andere wereld"

Radio-interview in “De andere wereld van zondagavond”, 24 september 2000.

 IKON:

Jaap Schreurs is een kunstenaar die niet erg bekend geworden is. Hij leefde van 1913 tot 1983 en nam als figuratief schilder een heel eigen plaats in de Nederlandse kunst in. De mens met al zijn gebreken was zijn grootste inspiratiebron. Omdat professionele modellen voor hem onbetaalbaar waren, nodigde hij prostituees en alcoholverslaafden uit om voor hem te poseren. Een klein gedeelte van zijn werk is op dit moment zien in het museum “Ons’ Lieve Heer op Solder” in Amsterdam. Jojanneke Drijver ging erheen met Agneta, de vrouw van Jaap Schreurs en met twee dochters, Paula Schreurs en Nelleke Oosten.

 

Nelleke:

Hij schilderde bij voorkeur de kant van het leven die niet de mooie opgepoetste buitenkant is. Dat deed hij niet. Hij ging voor wat daar achter was en dat vond hij spannend, intrigerend, boeiend, het enige wat echt de moeite waard was. Ik weet nog, wij hadden hem ooit dat fotoboek, beroemde fotoboek, in huis, Family of men. Daar was dan die pagina in met al die portretten, van derde wereld mensen getekende koppen en daar was ook een foto-tje tussen van een westers fotomodel. Hij zei tegen mij, dat is toch saai, kijk nou toch eens wat een saai, daar is niets aan. Dat zegt helemaal niets, terwijl zijn modellen die hij dan van de straat haalden, de arme uitgeputte mensen die aan de onderkant van de maatschappij zaten, dat waren de mensen waar het leven in had huisgehouden en daar ging hij voor en dat betekende wat voor hem.

 

Paula :

Wat mij altijd zo opvalt in het werk van mijn vader, is dat hij zeer gegrepen werd door de actualiteit en als je dan dat vroege werk ziet, dat is dan in de crisis jaren en de oorlog. Dan zie je dus mensen die rond die armoedegrens leven of ver daar onder leven of mensen die verminkt uit de oorlog terug komen. En je ziet dan langzamer hand door de jaren heen, dat hij van die buiten kant zoals het er maatschappelijk uitziet. Dronken mensen, manke mensen of de etenhalers, dat zijn dan mensen die in de gaarkeuken met hun nappen allemaal zo reikend, om een hapje te krijgen. Dat hij dat langzaam maar zeker verplaatst naar binnen. Dat hij steeds meer de spanning legt bij het menselijke proces. Hoe hij ook steeds meer de religieuze kant verder heeft ontwikkeld, want in de vroegere jaren zijn er Christuskoppen en in die latere jaren is er ook weer een kruisiging. Nelleke vertelde mij ooit dat hij weliswaar bezig was met die kruisiging, maar zei van, ja maar dat durf ik niet dan zou je zo’n hoop moed moeten hebben als je dan durft neer te zetten, terwijl hij daar later wel steeds meer naartoe gegroeid is. Steeds meer mee is gaan werken.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Dat heeft hij uiteindelijk wel afgebeeld

 

Agneta:

De voeten dan, hé. Nog niet het gehele lijf. Niet de hele kruis statie

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Laten we er in ieder geval even heen lopen. Kunnen we even bekijken op welk manier hij dat dan oploste eigenlijk.

Hier hangt dan een werk waarin toch wel duidelijk te zien is de kruisiging van Christus. Kunt u daar wat over vertellen

 

Agneta:

Wat je hier ziet dat is een voorstelling van de onderkant van het kruis. Meestal als je een kruisiging ziet, dan zie je het hele lichaam het hoofd en het gezicht en alles er om heen en daar kijk je dan ook automatisch naar. Hier is dus het, ja wat je dus eerst even verbaasd doet kijken, is van HÉ, boven de voeten houdt het op. Je ziet die voeten heel expressief, je ziet die spijkers, je ziet het onderste stukje hout dat er meer als een boom uitziet dan zoals we ons het kruis hout voorstellen. Daaronder zit aan de ene kant, echt zo een uitgemergeld straat hondje erbarmelijk te janken. Met zijn kop omhoog. Daar onder ligt een heel uitgemergeld, dood, verhongerd kennelijk, jongetje, waar op bloeddruppels gevallen zijn. In de buurt van het hoofd van het jongetje liggen nog wat lege blikjes. Verder is er niets dan duisternis en donker. In het lijden van de voeten en in wat er gebeurt daaronder daar ligt dus de volle nadruk op. Dat is ook, hoewel het maar een klein schilderijtje is, dat je daar toch niet aan voorbij kan lopen of zo.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Paula, is dat dan zijn manier van dan toch de kruisiging of dat lijden van christus af te beelden.

 

Paula:

Ja, ik heb het niet echt ervaren als in het verlengde staand van de kruisiging, maar veel meer als een prachtige samenvatting van een hele periode waar hij intens bezig is geweest met wat er alweer in de wereld gebeurde. En dan met name in Vietnam. Hoe daar mensen verminkt, met napalm en kinderen…. Die schilderijen die liegen er niet om, om wat daar allemaal is uitbeeld. Het lijkt net alsof hij al die afzonderlijke verhalen heeft samengevat in een centraal punt waar al dat lijden, als het ware, heel abstract en tegelijker tijd heel concreet wordt neergezet. In die twee voeten. Mogelijk is het ook een verlengstuk daarvan, maar ik heb het sterk, dat is mijn gevoel dus, ervaren als een samenvatting van die periode waarin het opnieuw zo door hem heen trok wat daar gebeurde. Naar mijn gevoel heeft hij dat prachtig samengevat daar in.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Nou heeft hij dus prachtige werken gemaakt, maar nou heeft hij in zijn leven drie keer geëxposeerd. Hoe kwam dat?

 

Agneta:

Hij had daar geen zin in, daar komt het wel eigenlijk op neer. Althans tegen mij zei hij vaak: Ach, dat komt later wel als ik uitgeschilderd ben. Één van zijn angsten was namelijk om uitgeschilderd te raken, dat hij dus op een goed moment zijn artistieke vermogen zou teruglopen. En dat hij zich als kunstenaar zou overleven. Maar verder zag hij het ook heel praktisch. Hij had voortdurend inspiratie, dus was voortdurend met het volgende werk bezig en niet met het vorige. Hij was ook verder nogal introvert, nogal rustig, niet iemand die zo nodig naar buiten moest komen.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Nelleke, het was geen prater

 

Nelleke:

Nou dat lag aan de situatie… (gelach). Hij heeft dus ooit, best ambitieus, zelf opgezette expositie in Voorburg vlak na de oorlog. Daar hing een groot driedubbel naakt, een enorme boerin met een enorm lijf en twee jonge pubers. Dat moest toen worden weggehaald. Ik wist nog, Ik was wel heel klein, maar ik weet het nog die opening toen en in de krant dat was best wel schandelijk, zulk werk. Mijn vader hoe dan ook, de ene kant vanuit zijn persoon naar zijn werk was er geen enkele drempel. Die lijn heen en weer is altijd open geweest. Maar naar de maatschappij toe. Als ze daar kwamen met negatieve dingen. Dat trok hij zich wel heel erg aan.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Wat heeft hij gezegd over zijn eigen werk?

 

Nelleke:

Hij heeft ook eens gezegd. En dat was tien, vijftien jaar voor zijn dood.

Ik vind toch wat ik moet schilderen soms zwaar. Hij heeft ook een keer gezegd. Ik ben geen kunstenaar. Ik ben het niet. Want dan moet je bíj blijven en dan moet je zorgen dat je in de móde bent en dat je de vinger op de pols hebt wat trends betreft. En dat wil ik niet! Ik heb ook een keer ooit in een schets boekje van hem gebladerd en toen had hij daar iets op geschreven en dat is een tekst uit zijn hele jonge jaren. Ik wil schilderen over een emotie van waarde. Ik wil niet schilderen over kortstondige emoties. Hij wilde ook niet in de mode zijn. Hij wilde dat niet, ik ben geen kunstenaar, zei hij een keer tegen mij.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Mevrouw Schreurs, nou denk ik, ja, dat is blijkbaar toch wel een onzekere man geweest en nou heb ik gelezen ergens dat na zijn dood heel veel werken eigenlijk ergens onderaan in de huizen, uit hoeken en gaten opge.., ja, bijna opgegraven zijn. Was dat ook een deel van zijn onzekerheid, dat hij zijn werken verstopte

 

Agneta:

Nee, dat was praktisch. Als je je leven lang schildert en niet verkoopt of exposeert of wat dan ook, dan krijg je langzamerhand ontzettend veel schilderijen. Daar valt niet aan te ontkomen. Dus.. wij hadden schilderijen achter de piano we hadden schilderijen achter de linnen kast onder het bed, we hadden schilderijen op de vliering. Hij had zelfs opgerolde schilderijen in de kruipruimte, die prachtig droog was in ons huis, want de centrale verwarming liep daar door heen.

 

Interviewster Jojanneke Drijver

Hij moet daar dan ook ontzettend gedisciplineerd in zijn, als overal dus nog werken vandaan komen. Het is dus wel gemaakt.

 

Agneta

Iedere morgen zat hij op tijd aan zijn ezel en werd er gewerkt en iedere middag ook, en s’avonds werd er getekend en geëtst

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Nu zijn er nog een aantal werken die mij opvallen. In al zijn werken speelt eigenlijk een soort religieuze ondertoon. Dit zijn de zogenaamde Godzoekers.

 

Agneta:

De voorstelling is mensen die, je zou kunnen zeggen ten hemel schreien. Mensen die uit de diepte uit de afgronden zegt de vertaling van Ida Gerard naar de hemel roepen van, waar ben je, heb toch erbarmen, zie je dan niet wat er gebeurt. Dit kan toch niet allemaal, waar ben je toch? Mensen allemaal de koppen allemaal beneden, en dan heel extreem omhoog geheven handen, soms met een kruis er in, soms met een baby erin. Soms met helemaal niks en heel hard schreeuwend naar omhoog, kijkend naar omhoog, komt er nog niks.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Ja het zijn dus eigenlijk mensen die antwoord vragen van waarom is de wereld zoals die is.

 

Agneta:

Hoe kun je dit toelaten, zie je het dan niet, waar blijf je. Wat in feite ook met die voeten het geval is. Dit is dus een thema waar dus ook ontzettend veel voorstudies van bestaan

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Is dat één van de vragen die heb tijdens zijn leven ook bezig hielden, want waarom doet God niet wat aan alle ellende die er is.

 

Paula:

Ik weet niet of je het op die manier zou moeten benaderen. Hij is absoluut zelf innerlijk, permanent, bezig geweest met de vraag naar God en met zijn eigen relatie tot God en de relatie van God tot de wereld. Hij heeft gezocht in de theosofische vereniging. Hij heeft zich heel intensief bezig gehouden met Krishnamurti, waarin hij een poging heeft ondernomen om zich werkelijk voor te stellen dat je der zich geen voorstelling van kunt maken. Dat alles wat zich in mensen afspeelt ook te maken heeft met menselijke projectie en daar in had hij dan best een soort van beeldhouwers neiging, in de zin dan, hij zocht het door er steeds een stuk steen van af te halen. Door steeds te zeggen, ja dat is het niet, dat is het niet. Dus iedere keer als iemand met een concrete voorstelling kwam of met een concrete verwachting, dan zei hij, ja maar dat is het niet. Want dat is weer zo zeer verbonden aan onze eigen projectie of aan onze voorstellingen. Ik weet nog wel dat ik, ik was een meisje van dertien of veertien. Dat was iets dat heel, heel indringend bij mij binnen is gekomen. Dat ik hem vroeg: Papa, bestaat God nou eigenlijk? En toen zei hij: Nou kindje, er is wel iets, maar dat is niet in de kerk. Dat moet je zelf zoeken.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Daar had hij eigenlijk een hekel aan? Dat mensen het probeerden vast te leggen of zo.

 

Nelleke:

Ja hekel is misschien niet het..het….uhmm. Hij wist dat je dan eigenlijk inderdaad het met woorden juist naar een zijweg manoeuvreert. En dan in een doodlopende weg in een bepaald begrip of een bepaalde redenatie terecht zou komen, terwijl het goddelijke juist buiten al die redenatie, vanuit een heel ander kanaal benadert zou moeten worden.

 

Interviewster Jojanneke Drijver:

Mevrouw Schreurs, één van uw dochters zei net, het is niet in woorden vast te leggen voor hen. Heeft hij het in beelden proberen vast te leggen?

 

Agneta:

Ik sta nu voor het schilderij dat wat wij zelf hoor, de “Gouden vogel” hebben genoemd. Omdat daar heel centraal staat een, een oranje haantje zou je kunnen zeggen, heel stralend gekleurd. Dat wordt vastgehouden door een kind en aan de andere kant staat nog een kind dat de toeschouwer aan kijkt. Op de achtergrond staan drie volwassenen, zij staan in zich zelf verzonken, maar er valt wel licht op hun gezichten. De sfeer die er van uit gaat is van een hele ingetogen, maar verwachtingsvolle stilte. Dit is ook het laatste schilderij dat af gekomen is. Daarna heeft hij dus dat andere schilderij gemaakt dat nooit is afgekomen. Waarvan hij zei van “nou kan ik het licht schilderen, dit is een keerpunt in mijn schildersleven”

 

Paula:

Dat was dan een schilderij waarvan je dan, als je elkaar op belde, dan was je blij. Dan zei je: goh, heb je gezien waar hij nu mee bezig is. Het gaat goed, hij komt er door. Hij heeft iets te pakken. Maar ik ervaar ook het aller-laatste schilderij. “Het stille feest”. Ook als bijna een vraag die tot rust komt. Het licht is er en er is feest. Er is een aantal mensen, die daar heel geconcentreerd en die zijn dicht bij zich zelf. Die zoeken niet meer daar, of daar…..die zijn bij zich zelf en die hebben ook elkaar gevonden. Die zijn met elkaar rond een punt gekomen. In die zin is er wel in mijn vader iets uitgerijpt.

 

IKON:

Dat was de dochter Paula over het werk van haar vader, de schilder Jaap Schreurs. Daarvoor hoorde u haar zus Nelleke en zijn weduwe Agneta Schreurs. Van zijn werk is nog tot 19 november een kleine expositie te zien in museum “Ons’ lieve heer op solder” in Amsterdam.